Anderen helpen en geld verdienen?

Verslag van een gastles aan de Summerschool in Osnabrück

“Wij willen mensen helpen.” Verwachtingsvol kijken ze me aan. Vijftien jonge mensen uit verschillende delen van de wereld, vol idealen. Met plannen om iets te doen voor gehandicapten, gevangenen, jongeren en vluchtelingen en met het idee om daar een sociaal onderneming van te maken. Nu rekenen ze op mij om uit te leggen hoe dat moet.

Ik denk tegelijk twee dingen. Eén: Dat enthousiasme en idealisme moeten ze niet kwijtraken. En twee: deze plannen zijn nog lang geen levensvatbare ondernemingen.

Eén van de studenten is wat vrijmoediger dan de anderen. “Ik wil er geen geld aan verdienen als ik anderen ga helpen”, zegt hij stellig. Oef, daar is ook nog een moreel oordeel.

Ik begin maar eens om ‘community engagement’ (hun thema) te vergelijken met ‘social entrepreneurship’ (mijn thema, waarover zij meer willen weten). Zij zien vooral verschillen, ik zie, naast de verschillen, ook veel overeenkomsten.

Ik leg uit dat sociaal ondernemers een maatschappelijke kwestie als uitgangspunt voor hun onderneming nemen. De community die zij daarbij mobiliseren, is dus niet van te voren bepaald maar vloeit voort uit de aard van de onderneming. Ik laat een Dopper zien en deel chocola uit van Tony’s Chocolonely. Ik leg uit dat deze ondernemingen hun community bouwen op affiniteit: mensen die affiniteit hebben met het product en met de boodschap die het uitdraagt. Die community bestaat uit grote fans en eenmalige consumenten en alles daar tussenin. Dat maakt niet uit. Mensen bepalen zelf hoe ver hun ‘engagement’ gaat.

Ik begrijp opeens dat dit een wezenlijk verschil is met het uitgangspunt van een hulpverleners initiatief. Helpen veronderstelt dat anderen hulp nodig hebben en dat jij weet welke hulp dat is. Sociaal ondernemers werken eigenlijk nooit op die manier. Ze creëren een voorstel, een product of dienst, en geven mensen de gelegenheid zich daarbij aan te sluiten. Mensen die dat doen, zien in de onderneming een belang voor zichzelf. Het voorstel, de onderneming sluit aan bij hun wensen en behoeften. Ze voelen zich daarom niet zozeer hulpvragers maar veel meer co-creators en participanten.

Ik begrijp opeens ook waarom sociaal ondernemers ervoor kiezen om te focussen: op een kwestie, een doel, een activiteit. Hun wens is niet om zoveel mogelijk mensen te helpen maar om heel goed te worden in die ene activiteit waarmee ze een bepaalde groep mensen kunnen helpen. Zo helpt Thuisafgehaald thuiskoks en afhalers, FairMail helpt tieners en liefhebbers van bijzondere wenskaarten, UitjeEigenStad helpt Rotterdammers die van lekker eten houden én willen weten waar dat vandaan komt en een energiecoöperatie of voedselcollectief helpt burgers die gebruik willen maken van hun inkoopkracht. Op het helpen ligt geen nadruk, het is onderdeel van de onderneming. En als je niet door zo’n onderneming geholpen wilt worden, is er geen enkele noodzaak om mee te doen.

Ik leg de internationale studenten uit dat sociaal ondernemers een verhaal opbouwen waarbij ze hun product of dienst koppelen aan maatschappelijke doelen en aan de (latente) wensen en behoeften van hun klanten. Dat ze met hun coherente en aantrekkelijke verhaal proberen mensen over te halen om mee te doen en deel uit te maken van een beweging. Dat ze niet uitgaan van hulpeloosheid en onmacht maar van mogelijkheden en ‘overvloed’. ‘Wat kun je’, ‘wat wil je’, zijn veel meer de vragen dan ‘waarmee kan ik je helpen?’

In de middag laat ik voorbeelden zien van Nederlandse sociaal ondernemers die zich bezighouden met de voedselketen. Van stadslandbouw en buurttuinen tot buurtrestaurants en voedselkasten. Ik probeer een verbinding te maken tussen de Nederlandse voorbeelden en de mogelijkheden voor ‘community engagement’ in andere delen van de wereld. Er wordt geknikt, geschreven en gelachen. De docent uit Zuid-Afrika ziet in de voorbeelden veel potentieel voor haar land.

Zo loopt mijn gastoptreden snel naar een eind. De stemming is positief en open. Voor ze weggaan, maakt de student die eerst vond dat je echt niet kon verdienen aan de nood van anderen, een opmerking. Hij zegt dat hij aanvankelijk dacht dat sociaal ondernemers evil waren maar dat hij nu beseft dat zij belangrijk werk doen. Werk dat hem gaat inspireren bij zijn projecten. Hoewel ik niet was gekomen om hem of iemand anders te overtuigen, is het erg leuk om zijn eerlijke, ongevraagde reactie te horen.

Ook ik heb van deze ontmoeting geleerd: namelijk dat het veel verschil maakt hoe je als ondernemer de vragen stelt, welk perspectief je kiest en hoe je mensen bij je ‘goede zaak’ betrekt.

Ik neem afscheid: ‘Nodig me uit als je je buurtrestaurant gaat openen of als je stadsboerderij of buurttuin is aangelegd’, zeg ik lachend. ‘Waar het ook is, ik kom je feliciteren!’